Maand: september 2016

Ik heb éééven mijn eigen tijd nodig

de-manier-waarop-copy

Trampolines stonden tot voor kort alleen in (speel)tuinen van anderen en daarom was in ons huis tot die tijd het grote bed letterlijk en figuurlijk mijn zoons springplank. Een tijdje geleden waren we samen beneden, toen meneertje (4) zei: “Ik moet even naar boven.” Je begrijpt, dat is codetaal voor ‘tijd om te springen’. Toen ik later de slaapkamer binnenstapte om schone was in de kast te leggen, riep hij al hupsend glorieus een aantal woorden waarover ik ‘m vroeg of hij ze misschien wilde herhalen. Ik had het goed gehoord: “Mama, ik heb éééven mijn eigen tijd nodig.” Hij grijnsde van oor tot oor.

Ik had mijn zoons uitspraak op een kladbriefje geschreven om ‘m later over te nemen in een o.a. daarvoor bedoeld schrift. Terwijl ik de volgende dag met iets bezig was in de keuken, had hij een aantal rondslingerende papiertjes gepakt en was ermee aan het knippen geslagen. En – ik verzin het niet – wat kreeg ik op een presenteerblaadje toen hij vervolgens enthousiast naar me toekwam met zijn knipsel? Dit:

ik-heb-mijn-eigen-tijd-nodig-zw

Woorden. Je kunt over ze struikelen, ermee spelen, ze uit de mond van een ander halen en ze afwegen. Soms is iets te gek voor woorden, moet je erop passen, blijven ze hangen of wil je ze ergens niet aan vuil maken. Soms gebruik je ze om stiltes op te vullen en een andere keer heb je aan een half exemplaar genoeg. Soms moet je naar ze zoeken. Soms komen ze vanzelf of ontglippen ze je zelfs. Soms zijn ergens geen woorden voor, of heeft iemand het laatste genomen. Soms zou je ze zelf liever terugnemen, maar dat kan nooit want uitgesproken woorden zijn gegraveerd in de eeuwigheid. Soms moet je net zo lang slijpen tot woorden precies omschrijven wat je bedoelt en soms zorgen ze dan nóg voor verwarring. Soms vergen woorden moed. Om te zeggen wat je werkelijk vindt of voelt, om jouw waarheid te spreken. Soms zeg je heel vaak soms. En soms… komen je eigen woorden (meerdere keren) bij je terug!

In het systeem waarin wij leven gebruiken we symbolen om met elkaar om te gaan en elkaar te begrijpen. Taal (gesproken en lichaamstaal – ik richt me hier op het eerste) is het meest gebruikte symbool waarmee wij communiceren (waarmee we in contact treden met onszelf en anderen). Jij en ik gebruiken zo’n 16.000 woorden hardop per dag, veelal onbewust en op de automatische piloot. Ook de publieke ruimte is gevuld met woorden. Er worden er dagelijks honderdduizenden over ons uitgestrooid.

Ik vraag me wel eens af hoeveel woorden zomaar het universum in geslingerd worden, zonder juiste of heldere intentie en zonder besef van het effect van onze keuze ervan. Want woorden lijken misschien ‘slechts’ woorden, ze hebben enorme kracht. Woorden raken. Ze zorgen óf voor afstand óf voor verbinding. Met woorden kun je jezelf of iemand anders afwijzen of toelaten, afbreken of verwarmen en laten stralen.

Natuurlijk wil jij je kind laten stralen! Een van de eenvoudigste én meest effectieve manieren om een ander het gevoel te geven dat hij/zij gezien wordt, is door je waardering over te brengen. Wat zou er gebeuren als je je (nóg meer) richt op wat je in je kind waardeert? En als je de tijd neemt om de juiste woorden te zoeken en vinden, en die ook uit te spreken? Hoe voelt je kind zich dan? Hoe voel jij je dan? En wie en wat zouden jullie dan ‘zomaar’ allemaal nog meer kunnen gaan waarderen? Met Onder-je-kussen-kaartjes ontdek je het. Haal de zonnebrillen maar te voorschijn!

Welke woorden heb jij weleens teruggekregen, bijvoorbeeld van je kind?

Foto credits: www.ohbeautifulworld.com

Foto: www.ohbeautifulworld.com

En ik vind het spannend, én ik doe het

Just sit with it - OJKK blog

Mijn zoon (bijna 4 toen ik dit schreef) wilde de haan. Al maanden. Zo’n beetje zijn eerste keer in een speelgoedwinkel ooit had hij ‘m uitgezocht, maar eenmaal buiten verruilde hij ‘m alsnog voor de blauwe papegaai. De keren erna koos hij de zeearend en de ‘papegaai met veel kleurtjes’. De haan bleef echter kraaien in zijn gedachten en vorige week vroeg hij er weer om.

‘Je kunt niet zomaar weer een cadeautje krijgen’, was mijn eerste gedachte. ‘Maar hoe doen we dat eigenlijk met cadeautjes?’ Zakgeld is nog niet aan de orde en een afspraak hierover hadden we nog niet gemaakt. We staken onze drie hoofden bij elkaar en bedachten voorlopig: één (klein) cadeautje per maand.

De haan moest het worden voor september. Voor vertrek spraken we af dat als dat beestje er niet zou zijn, we het zouden bestellen. Je raadt het al, de meest uitheemse dieren stonden uitgestald, maar de Hollandse haan was ‘m gevlogen. Meneer had zich inmiddels vastgeklampt aan de staart van een haai. Boos tot in zijn tenen was hij, dat we de haai achter gingen laten en de haan bestellen. Of ik achteraf gezien de haan niet gewoon had kunnen doorschuiven naar oktober weet ik niet, maar we namen onszelf en de boosheid mee naar buiten en daar ging mijn zoon verder tekeer. Ik liet hem in mijn volle aanwezigheid uitrazen. I just sat with him. Even was hij zó woest dat hij stampvoette en het slijm zijn neus uitliep. Hij snoot twee keer op volle kracht… in mijn ‘eerste-nieuwe-jas-in-7-jaar’, die ik uiteraard voor het eerst aanhad. (Septembercadeau voor mezelf!) I just sat with it, and continued to sit with him. Uiteindelijk was de boosheid ‘op’ en fietsten we naar huis. Er zat een zingend kind achterop.

Soms is iets zo maagdelijk, zo smetteloos, dat het je belemmert om je er vrij in/mee te bewegen. Zoals een nieuw dagboek nu eenmaal een eerste pennenstreek nodig heeft om ontspannen ‘verder te kunnen leven’, heeft een (tweedehands) auto een eerste kras nodig, een kledingstuk een eerste vlek en… een blog een eerste post.

Ik stond al een week op de drempel van mijn eerste blogpost. Een lege witte eerste pagina in een blogwereld waarin al miljoenen woorden zijn geschreven. ‘Wat voeg ik toe? Klink ik niet te zweverig? Kan ik eigenlijk wel schrijven?’ De stemmen in mijn hoofd staan zeker op dat soort momenten vooraan, op de luidste stand klaar om Annet de grond in te timmeren. Om haar héél klein en onkundig te maken. Zodat ze er misschien wel niet aan begint. Wat die stemmen niet onthouden, is dat Annet niet opgeeft. Ze zet haar schouders eronder, redeneert er tegenin en stampvoet. (Daar wordt ze trouwens erg moe van – en haar man ook!)

Tijdens het uien snijden vanmiddag – de aha-momenten komen wanneer je ze het minst verwacht – realiseerde ik me opeens dat ik me zó vastklamp aan die stemmen dat ik vergeet dat ik ze ook gewoon door me heen kan laten waaien. ‘Én ik vind het spannend, én ik ga verder.’

Just sit with it

Ik besloot de stemmen ‘in een potje te doen’ en er letterlijk mee te gaan zitten. To just sit with it. Ik liet ze uitrazen tot de angst – voor dat moment – ‘op’ was. Duurde ongeveer een kwartiertje. Ik heb het potje vervolgens hópla leeg gekiept in de bosjes en ben gaan schrijven.

Oeh, wat bevrijdend. En kijk, de eerste blog is er!